International Summer School on the Digital Library 2001, Electronic Publishing: Libraries as Buyers, Facilitators, or Producers

International Summer School on the Digital Library
Hanna de Vries

In de week van 7 tot 12 oktober mocht ik deze Summer School bijwonen in Florence. Een magnifieke setting: in de heuvels boven Florence zijn de restanten van een klooster omgebouwd to European University. Van 9 uur 's ochtends tot tegen zes uur 's avonds werd ons een reeks van in totaal zo'n 20 sprekers voor gezet. Maar tussen de middag en tijdens de workshops konden we genieten van stralend weer en een prachtig uitzicht op de stad. Gelukkig was ik iets eerder gearriveerd zodat ik die stad zelf ook nog even heb kunnen bezoeken: een prachtige stad maar in het weekend wel erg druk!

Wat heb ik allemaal gehoord? De belangrijkste onderwerpen:
  • Elektronische documenten, en dan vooral elektronische tijdschriften. Men was het er over eens dat het verwerven van grote pakketten tijdschriften via contracten die worden afgesloten door een Consortium, op dit moment een goede aanpak is. Daarmee komen voor de gebruikers hele grote aantallen artikelen beschikbaar, die ook goed worden gebruikt en de prijs die je daarvoor betaalt is wel (te) hoog maar lager dan we de laatste jaren voor onze kiezen hebben gekregen. De prijs is echter nog altijd te hoog: voor de langere termijn zullen dus nog betere deals gesloten moeten worden. Daarvoor heeft men de hoop gevestigd op nieuwe prijsmodellen die gebaseerd kunnen gaan worden op gebruikscijfers: voor het eerst immers komen gebruikerscijfers beschikbaar per artikel en/of per tijdschrift. Ook de hoop op betere deals is niet ongegrond mits we nog betere onderhandelaars worden: er zijn al deals gesloten gebaseerd op een prijsstijging van 2% (in plaats van 5 à 6%). Ook de voorwaarden worden beter: er is al een deal gesloten waarin elektronisch ibl zonder tussenprint wordt toegestaan.
  • Men is het er over eens dat het aanbieden van de tijdschriften in aparte pakketten met eigen zoeksoftware (bijv. ScienceDirect) voor de gebruiker een heilloze weg is. De voorkeur gaat uit naar het zelf, per bibliotheek of groep van bibliotheken, opslaan van de metadata en zelf geïntegreerd toegang geven. Ook dat moet dan geregeld worden in de deal met de uitgever. Voordeel is dat je ook zelf de gebruikscijfers kunt verzamelen en analyseren.
  • Er is heel veel gepraat over de publicatieketen: traditioneel gaat dat: van auteur - naar uitgever - naar editor/peer-review - naar uitgever/drukker - naar agent (bijv. Swets) - naar bibliotheek - naar lezer (is veelal ook auteur). Auteurs zijn vaak wetenschappers die artikelen schrijven in hun werktijd op een universiteit. Editors en peer-reviewers zijn ook zulke wetenschappers op universiteiten. De bibliotheek die het abonnement koopt is een universiteitsbibliotheek. En de uitgever strijkt de winst op. De discussie ging over de mogelijkheid om - in deze elektronische tijden - elementen uit deze keten weg te laten, over de waarde die de verschillende onderdelen van de keten toevoegen aan het proces en over alternatieve manieren om die waarde toe te voegen. Men was het er over eens dat een vorm van beoordeling van artikelen (en de ideeën daarin) door de wetenschappelijke gemeenschap van een vakgebied essentieel is voor de ontwikkeling van de wetenschap. Maar peer-review onder supervisie van een grote uitgever is daarvoor niet de enige oplossing. In de praktijk wordt op een aantal manieren aan het proces getornd (en gezaagd aan de stoelpoten van uitgevers en agenten):
    • 'learned societies' zetten zelf goedkopere alternatieve tijdschriften op. Dit kan werken, mits de society en met name de editorial board van het nieuwe tijdschrift voldoende aanzien heeft binnen het betreffende vak
    • auteurs of hun universiteiten publiceren zelf de artikelen in zogenaamde 'open archives', voor of na publicatie in gerenommeerde tijdschriften
    • universiteiten zetten zelf, met anderen, peer-reviewed elektronische tijdschriften op.
    De voorbeelden geven al aan dat bij deze alternatieven de auteurs een belangrijke rol spelen. Universiteitsbibliotheken kunnen en moeten ook een rol spelen, maar kunnen dat alleen doen voor en met de auteurs en de vakgroepen. Het is dan eigenlijk vooral de universiteit die een rol op zich neemt als werkgever van de wetenschappers en de UB die als deel van die universiteit de uitvoering op zich neemt, als 'deskundige' ten aanzien van documenten. De rol zou ook opgepakt kunnen worden door (of samen met) een university press.
  • Conclusie van deze discussie was dat het heel belangrijk is voor universiteiten om (met hulp van de UB) een publicatieplatvorm op te zetten voor de eigen medewerkers, waar alle publicaties van de eigen medewerkers op gepubliceerd kunnen worden, voor of na publicatie elders. Bij 'na' denkt men dan aan 'na 6 of 12 maanden'. Dit wordt dan wel 'parallel publiceren' genoemd. De universiteit dient daarmee de wetenschappers maar kan daarmee ook de onderhandelingspositie ten opzichte van uitgevers versterken. De UB heeft in dit scenario een geintegreerde plaats in de universiteit in het wetenschappelijk proces.
  • Natuurlijk ging het ook nog over techniek: Open Archives Initiative, Dublin Core, OpenURL en SFX, XML. De uitgevers hebben met elkaar CrossRef opgezet, waarmee gelinkt kan worden vanuit de referentie in het ene artikel naar de full text in een ander artikel, wellicht bij een andere uitgever. Dit is een slim idee waardoor elektronische tijdschriften aantrekkelijker worden om te gebruiken (en dus om te kopen!). Bovendien moet je ook dat andere artikel/tijdschrift kopen (anders kom je er niet in). Een echte verkooptruc dus, maar wel een nuttige.
    SFX is een systeem waarmee je de link nog wat bruikbaarder kunt maken voor je eindgebruiker. Zodat bijvoorbeeld altijd wordt doorgelinkt naar een full text waarvoor de bibliotheek ook inderdaad een abonnement heeft. SFX is echter afhankelijk van de bereidheid van uitgevers om aan de artikelen een Open URL te hangen.
    CrossRef maakt gebruik van DOI's per artikel. Er worden nu pogingen ondernomen om de uitgevers zover te krijgen dat aan die DOI ook een OpenURL element wordt gehangen. Dan kunnen alle CrossRef documenten gebruikt worden door systemen die SFX gebruiken.
    Open Archives Initiative (OAI) en Dublin Core zijn pogingen om de toegang tot de wereldwijd op allerlei plekken gepubliceerde elektronische documenten te standaardiseren.
    En XML is de nieuwe variant op SGML en HTML die een steeds grotere rol gaat spelen in het uitvoer-onafhankelijk (en men hoopt ook software-onafhankelijk op lange termijn) coderen van documenten, ook weer ter bevordering van de gewenste standaardisatie en openheid. Er komen steeds meer uitgewerkte XML toepassingen beschikbaar waardoor het mogelijk wordt XML ook buiten de grens van de eigen organisatie toe te passen.

Al met al een zeer nuttige week met veel boeiende kontakten met de overige 45 deelnemers en de 20 sprekers. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat vooral over 'werk' praten is vermoeiend maar wel heel inspirerend. Met de complimenten aan Ticer voor een uitstekende organisatie!

This article is written by Hanna de Vries, Deputy Librarian, Erasmus University Rotterdam Library, Rotterdam, The Netherlands. Ticer B.V. is not responsible for its content. Copyright Hanna de Vries.

Ticer home summer school

Tilburg Innovation Centre for Electronic Resources
Ticer, PO Box 4191, 5004 JD Tilburg, The Netherlands,
telephone +31-13-466 83 10, telefax +31-13-466 83 83, e-mail ticer@uvt.nl,
last updated 19 December 2001